zondag 2 maart 2014

Cavia

Al dertig jaar weg uit het zuiden nam ik op een onbewaakt moment de bus door mijn oude wijk naar mijn ouders. Langs het station het oude Maria ziekenhuis kwam ik langs de school van mijn jeugd.

Ik zag knikkerende kinderen. Een proem was als kind tien kattenogen waard. Mijn lieveling was een blauwe. Zuiver in glas gevangen golven. En kwijt geraakt aan Mark den Hollander, met wie ik daarna nooit meer sprak. 

Een vrouw in de bus sprak me met mijn voornaam aan. En stelde zich voor als Bianca de Boer. Een meisje van mijn klas. Ze woonde zo wist ik nog, op de zestiende verdieping van die flat waar men soms van sprong, als het leven teveel geworden was. Ze was vroeger zo verliefd op mij, zei ze achteloos als was het niets. En alles werd plotseling duidelijk. Haar moeder die verhaal kwam halen voor haar ontroostbare dochter wiens tas ik op weg naar huis van de bagagedrager had getrokken. Zoals kwajongens vaker doen. 
Koste me een wats om mijn oren en zeker een week kamerarrest. 
En dat hielp niet echt een band te vormen.

Ik gaf haar alsnog een toffee voor al het leed ooit aangedaan. Maar voorzichtig kauwen, ze zijn taai, en de smaak komt pas later. Ik was op Kitty Oskam, die tegenover woonde op zes hoog. En gevoelloos was voor mijn eindeloze pogingen haar met jongens dingen te imponeren. 

Mark den Hollander had een cavia die ik onbedoeld vallen liet, en stiekem als lag ie te slapen in zijn hok teruglegde. Waarna ik verder spelen ging.
Z'n vader stond ook s' avonds aan onze deur. Met een bruin wit lijkje in een doos. Die kreeg ik thuis niet uitgelegd, en koste me meer dan een week op mijn kamer. 


Ik liet Mark mijn blauwe knikker winnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten